report

Tafseer-lezing #4 — Al-Lail (De Nacht)

Verslag van de vierde tafseer-lezing van Tasneem Sadiq, op dinsdag 3 februari 2004, zoals MashriQ die zelf op haar website publiceerde. Behandeld werd soera Al-Lail (De Nacht), een Mekkaanse openbaring uit de vroege beginperiode van de islam, bestaande uit 21 verzen. Het verslag legt de eerste verzen uit als een tegenstelling tussen duister en licht: de nacht die bedekt staat voor het slechte en de dag voor het licht dat schijnt wanneer het duister ontbreekt. Daarbij wordt het hart (qalb) besproken, dat oorspronkelijk uit licht bestaat, en de fitrah - de staat van volledige onschuld waarin ieder mens geboren wordt en die door slechte daden en invloeden vervaagt, maar door oprechte taubah weer verlicht kan worden.

Algemeen

Surah Al Lail is een Mekkaanse openbaring in de vroege beginperiode van de Islam, zoals vrijwel alle laatste hoofdstukken uit de Quran. Deze behandelen ieder vanuit diverse perspectieven het volgende: ?Het geloven in één God en dat je aan Hem verantwoording dient af te leggen van je daden op de Dag des Oordeels?. Surah Al Lail bestaat uit 21 verzen.

In naam van Allah, de meest Barmhartige, Genadevolle.

Vers 1. Bij de nacht wanneer hij bedekt.

Allah swt zweert in de eerste 3 verzen op een aantal dingen, alvorens Hij met een statement komt. Hij zweert als eerste op de nacht, het duister dat het licht bedekt. Het "duister" staat hier voor het slechte/negatieve. Het bedekt bijv. warmte/goedheid/'noor' (licht).

Vers 2. Bij de dag wanneer hij beschijnt.

Er wordt hier gezworen op het licht dat schijnt als er geen duister is. Ons hart (qalb) bestaat oorspronkelijk uit licht en is zuiver. Elk mens wordt geboren in een staat van 'fitrah', dat wil zeggen in een staat van volledige onschuld en dominantie van de 'ruh'(zie ook vorige Surah). Slechte daden en invloeden (uit de omgeving, ouders, eigen keuzes) maken het echter duister, waardoor de staat van 'fitrah' langzamerhand vervaagt. Slechts de zeer vromen kunnen ooit weer deze staat bereiken.
De combinatie nacht en dag kan men ook als volgt opvatten: Alles wat duister is geworden, kan ook weer verlicht worden. Dat kan bijvoorbeeld door oprechte vergiffenis ('taubah') te vragen, als je een zonde hebt begaan.
Een ander veel voorkomende interpretatie is waarbij de 'dag' symbool staat voor de Profeet Mohammed vzmh en de 'nacht' een metafoor is voor de misdrijven en 'kufr' van de Mekkanen ten tijde van deze openbaring.

Vers 3. Bij Wie de man en de vrouw schiep.

Allah swt zweer hier op zichzelf, aangezien hij de Schepper is van zowel de man en de vrouw. Zoals de dag en de nacht bij elkaar horen en een paar vormen, maar toch verschillend zijn, zo is het ook met de man en vrouw. Ze hebben beiden hun eigen kenmerken en zijn niet hetzelfde, maar horen wel bij elkaar.

Vers 4. Voorwaar, jullie daden zijn zeker verschillend.

Hier spreekt God richting de mensheid. De daden van ons mensen zijn net zo verschillend, evenals de verschillen waarop in de bovenstaande verzen gezworen is. Mensen lijken wel op elkaar, maar de daden van ieder mens zijn net zo verschillend.
Het verschil waar het hierom gaat is het verschil in 'imaan' (geloof) en 'kufr' (ongeloof), maar men kan ook denken aan verschil in intentie. Bijvoorbeeld wanneer 2 personen exact op dezelfde wijze het gebed ('salaat') verrichten, maar de ene met de intentie om anderen te laten zien dat hij bidt (opscheppen) en de andere met de intentie slechts omwille van Allah swt. De daden lijken dan hetzelfde, maar verschillen toch door de intentie.

Vers 5. Wat betreft degene die geeft en Allah vreest.

Hier worden de mensen bedoeld die 'taqwa' (godsvrees) hebben. Als je als mens zijnde dingen met je medemens (familie, vrienden, buren, collega's, enz.) deelt, hen hulp aanbiedt en hun behoeftes vervult, krijg je daar zegeningen voor. Geven kan op verschillende manieren, waarbij het niet om kwantiteit gaat, maar om kwaliteit. Geven is dus niet alleen geld, maar zoals in een 'hadith' (overlevering) wordt beschreven is ook bijv. het oprapen van een tak van de weg, zodat het niemand hindert een vorm van 'sadaqah'.

Vers 6. En in de goede beloning (het paradijs) gelooft.

Met goede beloning wordt hier 'het paradijs' bedoeld.

Vers 7. Wij zullen voor hem het gemakkelijke vergemakkelijken.

Voor de mensen die voldoen aan de bovenstaande 2 verzen (symbolisch: de 'dag') zullen de stappen richting het goede (gemakkelijke) nog makkelijker gemaakt worden door Allah swt.

Vers 8. En wat betreft degene die gierig is en zich behoefteloos waant.

Vervolgens wordt er gericht op een andere groep mensen. Gierig zijn en denken dat men niets en niemand nodig heeft, zijn invloeden van de 'nafs' (ego).

Vers 9. En die de goede beloning loochent.

Dus degenen die niet geloven in het Hiernamaals en het Paradijs en denken dat slechts dit aardse leven is wat men heeft.

Vers 10. Wij zullen voor hem het moeilijke vergemakkelijken.

Degenen die zich afzetten tegen het 'goede', voor hen zal dan ook het slechte (moeilijke) steeds makkelijker en toegankelijker gemaakt worden, aangezien ze hun keuzes al gemaakt lijken te hebben.
Als je op een kruispunt komt, waar je kunt kiezen uit twee verschillende paden met verschillende bestemmingen, dan zal je als je in het begin een verkeerde keuze hebt gemaakt nog makkelijk terug kunnen en de andere pad opgaan. Maar hoe verder je bent gaan lopen op het ene pad, des te moeilijker het wordt om terug te gaan en alsnog het juiste pad in te slaan.

Vers 11. En zijn bezit zal hem niet baten wanneer hij (in de Hel) valt.

Degenen die dus niet geloven in het Hiernamaals zijn slechts bezig met het aardse leven. Maar het materiele bezit wat hij in dit leven heeft opgebouwd, zal hem niet kunnen helpen wanneer hij in de hel valt. Materieel bezit is echter geen zonde, zolang men maar ook denkt aan zijn medemens en aan zijn Schepper.

Vers 12. Voorwaar, aan Ons is zeker de leiding.

In de periode van deze openbaring werden de armen en zwakkeren van de samenleving vernederd en werd geen zorg voor hun gedragen. De rijken zeiden dat als God het wilde, hij hun ook wel rijk gemaakt zou hebben of in een nobele familie laten geboren worden.
Allah swt geeft hier aan dat bezit niks zegt en dat de rijken niet de waarheid in pacht hebben, maar dat slechts Allah swt de leiding heeft over alles.

Vers 13. En voorwaar, Ons behoort zeker het laatste en het eerste.

Met het laatste wordt het leven in het Hiernamaals bedoeld en met het eerste wordt het wereldse leven bedoeld. Hierbij wordt dus nogmaals benadrukt dat er meer is dan slechts het aardse leven en dat de Heer van beiden slechts Allah swt is.

Vers 14. Daarom waarschuw Ik jullie voor een laaiend Vuur.

Laaiend vuur kan men interpreteren als de hel, woede, het slechte of de 'nafs' (ego), bijvoorbeeld.

Vers 15. Daarin gaat slechts de ergste ellendeling binnen.

Specifiek is de openbaring van dit Vers gericht op Umajja bin Chalaf, die hier dus aangeduid wordt als 'de ergste ellendeling'. Hij was in de beginperiode van de Islam één van de leiders van de Qoeraish-stam in Mekka. Op dat moment waren slechts een handjevol moslims (in het begin vooral de zwakkeren in die samenleving, zoals armen en vrouwen) die geloofden in de boodschap van de Profeet Mohammed vzmh dat er slechts één God was (en niet 360, zoals de meeste heidenen in Mekka toen geloofden) en dat Mohammed vzmh Zijn profeet was.

Umajja was tevens de baas van Bilal, een slaaf uit Ethiopië, die zich tot de Islam had bekeerd. Umajja vond het afschuwelijk dat zijn slaaf in zoiets als de Islam geloofde en vanwege zijn geloof onderdrukte en mishandelde Umajja zijn slaaf Bilal. Een bekende gebeurtenis is hierbij dat Umajja midden op een snikhete dag Bilal in de woestijn op de grond legde en een enorme steen op hem legde, zodat hij niet kon bewegen en beval hem om zich af te keren van de Islam. Maar Bilal weigerde dit en riep slecht: "Ahad, Ahad, Ahd" ( Er is slechts Één, slechts Één God).

Vers 16. Degene die verloochent en zich weerkeert.

Dus degene die de boodschap van de Profeet Mohammed verloochent en zich afkeert daarvan.

Vers 17. Maar degenen die Allah vrezen zal daar ver van gehouden worden.

Hier wordt specifiek Abu Bakr (ook één van de eerste moslims en één van de trouwste metgezellen van de Profeet vzmh) mee bedoeld. Abu Bakr was een vrij welvarende man met geld en status binnen Mekka. Toen hij vernam dat Bilal omwille van zijn geloof werd mishandeld, snelde hij naar huis om een zak met munten te halen en ging daarmee naar Umajja en kocht uiteindelijk Bilal vrij.

Vers 18. Degene die van zijn bezit geeft om zich te reinigen.

Abu Bakr had genoeg bezit, maar hij gaf het op de weg van Allah swt. Wanneer men een deel van zijn bezit of iets wat hem lief is, weggeeft aan behoeftigen in de samenleving, wordt je 'nafs' gereinigd.

Vers 19. En niet om voor een gunst aan iemand beloond te worden.

Vers 20. Maar om het welbehagen van zijn Heer, de Verhevene te zoeken.

Hier komt weer het principe van de intentie naar voren, zoals eerder in dit hoofdstuk was aangegeven dat de daden verschillend zijn onder de mensen.
Men moet niet iets geven of mensen helpen met de hoop er iets voor terug te krijgen, maar slechts om het welbehagen en tevredenheid van Allah swt te verkrijgen.

Vers 21. Hij zal zeker tevreden zijn.

Is die intentie juist, dan zal Allah swt zeker tevreden zijn.

Datum
3 februari 2004
Categorie
report
Herkomst / credit
MashriQ (eigen website-archief, 2009)